Vrijdag 14 januari, op expeditie naar Senegal
Om half 5 zijn we al wakker en ook al moeten we erg vroeg weg, zo vroeg hoeft nou ook weer niet, maar we vallen niet meer in slaap. We proberen snel nog wat te ontbijten maar het busje is erg laat, dus we hadden ons helemaal niet hoeven te haasten. Een aantal mensen die we op de Makasutu-trip al zijn tegengekomen, gaan vandaag ook weer mee. Dit keer gaan we naar het zuiden, Senegal in, tot aan de districtshoofdstad Ziguinchor.
Onze eerste stop is in Brikama om ijs op te halen voor de frisdrank die we in de bus meenemen. Na Serrekunda en Banjul is dit de derde stad van Gambia en erg levendig.
Des te dichter we bij de grens komen, des te slechter worden de wegen. Een zandpad rijdt nog heel wat comfortabeler dan een asfaltweg met grote en vooral hele diepe gaten erin. Maar wel een parkeerplaats, tenminste volgens het bord op de rechterfoto! Over de laatste 20 kilometer voor de grens doen we meer dan 3 kwartier!
De grenspost tussen Gambia en Senegal bestaat voor ons uit 3 stopplaatsen. Na de eerste douanepost stoppen we op een stukje niemandsland waar de geldwisselaar de bus in komt, een jongeman met zakken vol papiergeld, in alle soorten en maten. Wij hebben Senegalese CFA nodig, ca. 5000 voor 300 Dalasi en 600 voor 1 Euro. De omwisselkoers is duidelijk in zijn voordeel en wat we aan het einde van de dag overhouden zullen we tegen een nog slechtere koers weer kunnen inwisselen.
Vlakbij de grens, terwijl we nog stil staan, hurkt ineens een vrouw langs de weg op de grond, gaat blijkbaar plassen, en trekt even later haar rokken recht. Wat lekker eenvoudig! Anders wordt het met sommige inzittenden van onze bus die protesteren wanneer we ergens in de bush stoppen voor een plaspauze. Nee, geen toilet te zien, maar wel een heleboel bomen!
Onze eerste stop is in een compound met een aantal lemen huizen. Kinderen spelen er en vrouwen gaan door met hun normale bezigheden (de was, koken, kinderen voeden) terwijl wij een kijkje in de huizen mogen nemen. Ze doen wat denken aan oude boerderijtjes met bedsteden. Door de dikke muren blijft het binnen aangenaam koel.
Links het buitentoilet, met een rieten omheining eromheen. Riolering en waterleiding hebben ze hier niet. De kinderen volgens ons met belangstelling, de ouderen kijken er al niet meer van op. Er komen hier veel vaker groepen toeristen en in principe krijgen de mensen er niets voor dan de fooien die de toeristen geven. Dat we zo hun huizen doorlopen en bekijken voelt echter toch wel wat genant.
Het water wordt uit putten gehaald rond het dorp en bewaard in aardewerken kruiken binnenshuis, zodat het verbluffend koud blijft. Men leeft hier van de landbouw wat voldoende voedsel oplevert voor het eigen levensonderhoud en wat over is wordt op de markten in de buurt verkocht. De oudere kinderen gaan naar schooltjes in de buurt en wat de mannen doen, tja??? Eigenlijk zien we overal, ook in Gambia, meer vrouwen aan het werk dan mannen. Aan de kust zijn de mannen vaak vissers die 's nachts op zee zijn en 's ochtends met hun vangst terugkomen, dus die liggen overdag natuurlijk te slapen.
En ook hier worden we getrakteerd op een lokale dans, de dorpsbewoners organiseren dit 'spontaan' voor ons. Het is hetzelfde als in Makasutu: iedereen geeft met een soort houten kleppers het ritme aan en af en toe springt er een vrouw naar voren die met bepaalde passen op de grond stampt. Iedereen moedigt haar dan aan door het ritme en het lawaai omhoog te gooien. De bewegingen van de dansende vrouw lijken een handeling uit te beelden, bv. het maaien van gras of het malen van koren, maar we weten niet zeker of dat waar is.
We rijden verder, richting Ziguinchor, en komen opeens in een sprinkhanenzwerm terecht. Het zijn er miljoenen over een uitgestrekt gebied. De roodachtige beestjes zijn ongeveer 8 centimeter lang en bedekken soms hele bomen. Het schijnt de eerste sprinkhanenplaag in 20 jaar te zijn. Een mooi gezicht, maar desastreus voor de bevolking.
Na zo'n 10 kilometer zijn we uit de zwerm en arriveren veel later dan gepland in Ziguinchor, de grootste stad in het zuiden van Senegal met 100.000 inwoners. Hier worden de geoogste pinda's verzameld en verscheept naar alle delen van de wereld. Hiernaast een pindaberg waar een snoeperd alleen maar van kan dromen!
Hoewel zwaarbewolkt, is de temperatuur heerlijk (zo'n 32 graden) en de frisse wind op het water geeft wat verkoeling. Af en toe komen we vissersboten tegen, zoals deze man in zijn uitgeholde boomstam.
Behalve veel reigers zien we niet veel van de overvloed aan vogelsoorten die hier moet zitten. De foto rechts is in een vloeiende beweging gemaakt, in de hoop de vliegende vogel te vangen. Volgens Lies een slechte foto, volgens mij is het gewoon kunst!
We varen zo ruim een uur door de bolong en de kreek wordt steeds smaller. Ook hier is de begroeiïng mangrove waarvan de wortels tegen zout water kunnen en waar oesters in grote hoeveelheden te vinden zijn bij eb. Uiteindelijk stappen we bij een kade uit die ergens midden in de rimboe ligt. Van de bus nog geen spoor te bekennen.
En we komen weer terecht in de sprinkhanenplaag, wat betekent dat ze zich heel snel verplaatst hebben of dat de zwerm ontzettend groot is. Dit keer blijven we er veel langer in en soms kleuren de palmbomen rood van de sprinkhanen waarmee ze bedekt zijn. Overal zien we nu mensen autobanden verbranden om de beesten te verjagen met de rook en kinderen die met bezems proberen ze uit de lucht te slaan.
Bij de grens moeten we weer wachten en dit keer worden we bestormd door kinderen die van alles van ons willen hebben. Wanneer een paar een pen krijgen en één van onze medetoeristen aan 1 kind geld geeft, is het hek van de dam en verdrukken elkaar bijna om ons busje in te komen. 'Ach,' zegt iemand achter ons, 'zie je wel, het zijn eigenlijk nog steeds wilden!' Een uitspraak die ons nogal kwaad maakt, want gooi in Nederland eens een Euro tussen 30 kinderen, wedden dat ze erom gaan vechten. Het zijn juist de toeristen die zo de inheemsen als wilden behandelen...
Na het passeren van de grens begint het al een beetje te schemeren en we weten dat we laat zullen aankomen. Sommige mensen beginnen last te krijgen van vermoeidheid, we zitten tenslotte al bijna 10 uur in de bus. Maar helaas beseft niet iedereen dat en sommige mensen beginnen ineens te klagen: de tour operator is niet goed, we zijn verkeerd voorgelicht, het duurt allemaal te lang en tenslotte zijn ook de gids en de chauffeur ineens helemaal niet meer goed, zo beluisteren we de uitspraken van een aantal mensen. Dat je moe bent kunnen we begrijpen, maar dat je door te klagen zo je eigen dag gaat verpesten en anderen de schuld gaat geven, nee, dat willen we gewoon niet snappen.
Vlak voor we terug zijn in het kustgebied demonstreert Tamarr dat hij het woord sluis nu perfekt kan uitspreken. Het heeft enkele uurtjes gekost, maar het gaat goed. Hij is trots op zichzelf en wij niet minder op hem, want de 'ui' is een lastige kombinatie voor de meeste niet-Nederlanders. Wanneer we uitstappen bedanken we hem voor de leuke dag en geven hem een goede fooi.
Om half 9 zijn we terug bij het hotel, 13 uur nadat we vertrokken zijn. Zo'n 10 uur daarvan hebben we in de bus gezeten, en het is inderdaad een erg vermoeiende trip over de veelal slechte wegen. Maar we zijn toch blij dat we de excursie hebben gemaakt en gezien dat Senegal toch anders is dan Gambia.
Salifu wacht ons op bij de poort, hij heeft speciaal op ons gewacht om te vertellen dat hij is overgeplaatst naar een ander hotel, maar hij weet niet voor hoe lang. We stellen hem gerust, we zullen hem vast wel weer zien. Wij gaan nog wat eten, even op het terras zitten uitrusten en dan lekker vroeg naar bed.





